De Grieken pasten de elementen al toe op lichaam en ziel. Ze maakten hierbij onderscheid tussen 4 temperamenten:

  • Sanguïnisch:
    levendig, belangstellend, naar buiten gericht (lucht) maar moeite met stilzitten (aarde) en introspectie (water).
  • Cholerisch:
    individualistisch, wilskrachtig, eigenzinnig (vuur) maar moeite met luisteren (lucht, water) en geduld (aarde).
  • Flegmatisch:
    introvert en genietend (water) maar toont weinig belangstelling (lucht) en initiatief (vuur) naar buiten.
  • Melancholisch:
    degelijk, praktisch, rustig (aarde) maa een tekort aan inspiratie (vuur) en levendigheid (lucht).

Jung associeerde de 4 elementen met 4 psychologische functies:

  • Aarde:
    de zintuiglijke waarneming, het concrete handelen.
  • Water:
    het gevoelsleven, sympathie en antipathie, introspectie, invoelingsvermogen.
  • Lucht:
    het denken, analyseren, objectiviteit.
  • Vuur:
    de intuïtie, verbeeldingskracht, inzicht.

Volgens jung hebben we allemaal 1 of 2 elementen die overheersen (de superieure functies). De andere elementen worden daardoor naar het onbewuste gedrongen (de inferieure functies).

Vuur en aarde staan tegenover elkaar. Het aardetype richt zich op de concrete, zintuiglijke werkelijkheid. Het vuurtype kijkt naar wat mogelijk is.
Lucht en water staan tegenover elkaar. Het luchttype streeft naar afstandelijke objectiviteit terwijl en watertype het moet hebben van subjectieve, invoelende vermogens.

Jung werkte dit verder uit in een theorie van persoonlijkheidsverandering. De dynamische uitwisseling tussen het bewuste (de superieure functies) en het onbewuste (de inferieure funties) zorgt voor persoonlijke groei waarbij men zich alle functies eigen maakt en leert te gebruiken.